Najida geeft antwoord

Het was een bijzondere ontmoeting met Najida. Ze had een lang en voor mij bijzonder antwoord op de vraag “Waarom gaat het goed in je leven?”

 

‘Na 30 jaar ben ik mezelf aan het ontwikkelen, eindelijk! Daarom gaat het goed met me. Ik was werkzaam in de jeugdzorg, maar besloot een wereldreis te maken. Ik kon het niet laten om naar het eiland Lesbos te gaan. Mijn intentie was tien dagen, en daarna verder. Maar ik kon het niet loslaten. Met hoe ik er uit zie en hoe mijn taal is, kan ik daar iets doen. Ik ben teruggegaan en ik zit er nog steeds. Het is bijna een roeping.

Ik wilde de wereld zien, maar dat mocht niet, dat kon niet. Mijn moeder wist niet eens waar Griekenland lag. Mijn ouders zijn Berbers uit het Rifgebergte. In die cultuur doe je dat niet, want wat zal de familie wel zeggen? Maar nu vinden ze het prachtig. Voor het Suikerfeest en andere privé gelegenheden kom ik terug, want ik respecteer mijn familie. Dan vertel ik over mijn ervaringen. Ik ben er zo enthousiast over. Vluchtelingen komen in een totaal andere wereld terecht. En ik zie er hetzelfde uit als zij, praat hun taal. Dat geeft hoop. Het doet mensen goed, het geeft ze kracht voor hun verdere reis. Er zijn veel zelfmoordpogingen, dat geven ze toe. Ik mocht eerst niet gaan van mijn ouders, maar daar kan ik een verschil maken.
Ik heb drie broers en een zusje. De broers van andere meisjes zeiden tegen hen ‘doe normaal, ga trouwen’, maar mijn broers deden dat niet. Die moedigden me juist aan om te gaan studeren, te gaan reizen. Terwijl mijn ouders zo bang waren voor al het andere. Dat was verwarrend voor me. Ik luisterde eerst niet naar mijn broers. Ik was het oudste meisje in het gezin en vond dat ik me moest aanpassen.

Toen ik 10 was droomde ik dat ik reisleidster wilde worden. Dus ik wilde de School voor Toerisme doen, maar dat mocht niet. Ik mocht nooit reizen. Ik ging bestuurskunde doen, maar dat begrepen mijn ouders ook niet. Ze wilden wel dat ik ging studeren, maar niet dit. Er was veel strijd. Nu zie ik dat ze het alleen maar wilden begrijpen. Toen werd ik ziek, ernstig ziek, door een gezwel in mijn hals. Ik liet het er uit halen en het was goedaardig. Maar ik wist zeker: ik kan niet genezen als ik niet het vliegtuig pak. Het werd eerst Turkije, een verwant land, om mijn ouders gerust te stellen. Ik gaf mijn werk en huis op, alle zekerheid was weg. Dat vonden mijn ouders heel erg. Want daarom waren zij naar Nederland gekomen, voor die zekerheid. Ik wil die zekerheid helemaal niet meer. Maar we staan steeds met 3–0 achter, door wie we zijn. Ik zie het om me heen. Meiden die constant op zoek zijn naar liefde en dan in verkeerde handen vallen. Of uiteindelijk maar trouwen, dat is het enig toegestane middel om weg te gaan uit huis. Meiden zijn wel sterker dan jongens, omdat ze nog harder hebben moeten vechten.
Ik zie jongens in de criminaliteit terecht komen. Dat is niet goed, maar ik snap het wel. Voor vluchtelingen geldt dat nog meer. Ik zoek in Nederland ook jonge vluchtelingen op. Gister was ik bij een Syrische jongen. Hij heeft een eigen huis gekregen en had in driekwart jaar goed Nederlands geleerd. Maar hij is zwaar depressief. Vluchtelingen komen in een identiteitscrisis terecht. Ze weten niet meer wie ze zijn. Ik zeg dan ‘in Syrië deed je dit en dit, was je die en die, dat geldt nog steeds! Je moet dat constant herhalen voor jezelf!’ Het zijn zulke begaafde mensen, zo slim, zo mooi. Maar je moet heel sterk zijn. Ik heb het gezien bij mijn broers, bij mijn neven, mijn vader. Hij is niet uit een oorlog gekomen, maar hij is ook getraumatiseerd. Hij is indertijd gecheckt of hij sterk genoeg was om gastarbeider te zijn. Mijn vader wilde zijn land helemaal niet verlaten. Hij wilde terug. Maar het bedrijf waar hij werkte bood hem een huis voor zijn toekomstige gezin en spiegelde hem voor dat zijn kinderen hier zouden kunnen studeren.

Als je geen geloof hebt, heb je geen geloof. Daar is iedereen vrij in. Maar als je wel een geloof hebt, dan is dat belangrijk voor je. Velen denken nu dat Nederland een christelijk land is en dat ze er bij horen als ze christelijk worden. Ik vraag ze: maar geloof je dan in Christus? Nee, daar ben ik niet mee opgevoed, zeggen ze dan. Dat moet je niet doen, blijf trouw aan wie je bent! Ik ben voor integratie, maar je moet mensen wel de tijd geven. Natuurlijk moeten ze Nederlands leren, maar ze zijn getraumatiseerd! Als dit ons Europeanen zou overkomen, ik weet niet of we even sterk zouden zijn. Ze maken er constant het mooiste van. Mijn focus ligt bij minderjarigen die op de vlucht zijn, bij jongeren. Ik hou het klein. Het is vooral mensen samenbrengen. Een gesprek, een contact leggen. Ik sta nu waar ik wil, heb het ook zwaar gehad, maar het kan dus! Alleen dat tegen ze zeggen, is al belangrijk. Ik ben op eigen initiatief naar Lesbos gegaan en doe het nog steeds op eigen initiatief. Soms sluit ik me aan bij een organisatie, om iets voor elkaar te krijgen. Maar ik werk het liefst alleen. Ik doe het zo van binnen uit. Zoals ik het nu doe, zo zit ik in mijn kracht. Ik ben niet speciaal, iedereen heeft het in zich, als je doet waar je hart ligt, om iets moois te maken. Die kinderen die daar op Lesbos aankomen, die zijn speciaal. Zesjarige kinderen demonstreren daar met borden ‘wij hebben recht om te spelen!’ De eerste keer dat ik dat meemaakte ben ik apart gaan zitten huilen. Het is de volgende generatie, waar wij in Europa heel veel aan kunnen hebben. Maar dan moeten we het wel anders doen. Je gaat er veel aan hebben, maar als je niet oppast, gaat er juist heel veel kapot.

Als je altijd hebt gevochten, dan ken je niets anders dan vechten. Maar nu speel ik mijn eigen spel, ik doe het nu zoals ik het doe en daar komen mooie dingen uit. Het gaat zoals het gaat. Ik voel die mensen en zij voelen mij. Zij zijn ook mijn steun, als ik niets zou bereiken, dan zou ik zo vertrokken zijn. Maar als er maar een is, een kind, een man of vrouw, dan is het goed. Als je als hulpverlener iedereen wilt bereiken, dan ga je mensen als nummertjes zien. En zo willen mensen niet gezien worden.
Mijn geloof is heel belangrijk voor mij. Mijn innerlijke rust heb ik te danken aan Allah. Mijn geloof leert mij om kleine dingen te waarderen, om te geloven in het goede, te concentreren op het positieve, mensen te respecteren in alles, in geloof, in hoe ze zijn, in seksualiteit. In mijn gebed kom ik tot rust en dank ik voor deze geweldige ervaring. Ik heb er nooit bij stilgestaan dat ik een soennitisch moslim ben, maar ik weet nu dat er verschillende stromingen zijn. Ik denk dat ieder individu zijn geloof anders beleeft. Er is geen goed of slecht, geloof geeft jou kracht, hoop, troost, heel veel liefde en ik respecteer iedereen in hoe die gelooft. Maar je moet niet geloven in wat er van je verwacht wordt, door anderen, door de maatschappij. Hoe meer je jezelf en anderen in hokjes plaatst, hoe moeilijker het wordt.
We streven er allemaal naar om onszelf te kunnen zijn. We willen onze waardigheid behouden, waar we ook zijn op de wereld. En we willen met ons allen een mooie plek maken van deze wereld. Dat lukt soms niet, maar als ik die kinderen zie die demonstreren, dan zie ik dat ze opkomen voor hun rechten. En dat geeft hoop, veel hoop.’

 

Najida geeft antwoord

Het was een bijzondere ontmoeting met Najida. Ze had een lang en voor mij bijzonder antwoord op de vraag “Waarom gaat het goed in je leven?”

 

‘Na 30 jaar ben ik mezelf aan het ontwikkelen, eindelijk! Daarom gaat het goed met me. Ik was werkzaam in de jeugdzorg, maar besloot een wereldreis te maken. Ik kon het niet laten om naar het eiland Lesbos te gaan. Mijn intentie was tien dagen, en daarna verder. Maar ik kon het niet loslaten. Met hoe ik er uit zie en hoe mijn taal is, kan ik daar iets doen. Ik ben teruggegaan en ik zit er nog steeds. Het is bijna een roeping.

Ik wilde de wereld zien, maar dat mocht niet, dat kon niet. Mijn moeder wist niet eens waar Griekenland lag. Mijn ouders zijn Berbers uit het Rifgebergte. In die cultuur doe je dat niet, want wat zal de familie wel zeggen? Maar nu vinden ze het prachtig. Voor het Suikerfeest en andere privé gelegenheden kom ik terug, want ik respecteer mijn familie. Dan vertel ik over mijn ervaringen. Ik ben er zo enthousiast over. Vluchtelingen komen in een totaal andere wereld terecht. En ik zie er hetzelfde uit als zij, praat hun taal. Dat geeft hoop. Het doet mensen goed, het geeft ze kracht voor hun verdere reis. Er zijn veel zelfmoordpogingen, dat geven ze toe. Ik mocht eerst niet gaan van mijn ouders, maar daar kan ik een verschil maken.
Ik heb drie broers en een zusje. De broers van andere meisjes zeiden tegen hen ‘doe normaal, ga trouwen’, maar mijn broers deden dat niet. Die moedigden me juist aan om te gaan studeren, te gaan reizen. Terwijl mijn ouders zo bang waren voor al het andere. Dat was verwarrend voor me. Ik luisterde eerst niet naar mijn broers. Ik was het oudste meisje in het gezin en vond dat ik me moest aanpassen.

Toen ik 10 was droomde ik dat ik reisleidster wilde worden. Dus ik wilde de School voor Toerisme doen, maar dat mocht niet. Ik mocht nooit reizen. Ik ging bestuurskunde doen, maar dat begrepen mijn ouders ook niet. Ze wilden wel dat ik ging studeren, maar niet dit. Er was veel strijd. Nu zie ik dat ze het alleen maar wilden begrijpen. Toen werd ik ziek, ernstig ziek, door een gezwel in mijn hals. Ik liet het er uit halen en het was goedaardig. Maar ik wist zeker: ik kan niet genezen als ik niet het vliegtuig pak. Het werd eerst Turkije, een verwant land, om mijn ouders gerust te stellen. Ik gaf mijn werk en huis op, alle zekerheid was weg. Dat vonden mijn ouders heel erg. Want daarom waren zij naar Nederland gekomen, voor die zekerheid. Ik wil die zekerheid helemaal niet meer. Maar we staan steeds met 3–0 achter, door wie we zijn. Ik zie het om me heen. Meiden die constant op zoek zijn naar liefde en dan in verkeerde handen vallen. Of uiteindelijk maar trouwen, dat is het enig toegestane middel om weg te gaan uit huis. Meiden zijn wel sterker dan jongens, omdat ze nog harder hebben moeten vechten.
Ik zie jongens in de criminaliteit terecht komen. Dat is niet goed, maar ik snap het wel. Voor vluchtelingen geldt dat nog meer. Ik zoek in Nederland ook jonge vluchtelingen op. Gister was ik bij een Syrische jongen. Hij heeft een eigen huis gekregen en had in driekwart jaar goed Nederlands geleerd. Maar hij is zwaar depressief. Vluchtelingen komen in een identiteitscrisis terecht. Ze weten niet meer wie ze zijn. Ik zeg dan ‘in Syrië deed je dit en dit, was je die en die, dat geldt nog steeds! Je moet dat constant herhalen voor jezelf!’ Het zijn zulke begaafde mensen, zo slim, zo mooi. Maar je moet heel sterk zijn. Ik heb het gezien bij mijn broers, bij mijn neven, mijn vader. Hij is niet uit een oorlog gekomen, maar hij is ook getraumatiseerd. Hij is indertijd gecheckt of hij sterk genoeg was om gastarbeider te zijn. Mijn vader wilde zijn land helemaal niet verlaten. Hij wilde terug. Maar het bedrijf waar hij werkte bood hem een huis voor zijn toekomstige gezin en spiegelde hem voor dat zijn kinderen hier zouden kunnen studeren.

Als je geen geloof hebt, heb je geen geloof. Daar is iedereen vrij in. Maar als je wel een geloof hebt, dan is dat belangrijk voor je. Velen denken nu dat Nederland een christelijk land is en dat ze er bij horen als ze christelijk worden. Ik vraag ze: maar geloof je dan in Christus? Nee, daar ben ik niet mee opgevoed, zeggen ze dan. Dat moet je niet doen, blijf trouw aan wie je bent! Ik ben voor integratie, maar je moet mensen wel de tijd geven. Natuurlijk moeten ze Nederlands leren, maar ze zijn getraumatiseerd! Als dit ons Europeanen zou overkomen, ik weet niet of we even sterk zouden zijn. Ze maken er constant het mooiste van. Mijn focus ligt bij minderjarigen die op de vlucht zijn, bij jongeren. Ik hou het klein. Het is vooral mensen samenbrengen. Een gesprek, een contact leggen. Ik sta nu waar ik wil, heb het ook zwaar gehad, maar het kan dus! Alleen dat tegen ze zeggen, is al belangrijk. Ik ben op eigen initiatief naar Lesbos gegaan en doe het nog steeds op eigen initiatief. Soms sluit ik me aan bij een organisatie, om iets voor elkaar te krijgen. Maar ik werk het liefst alleen. Ik doe het zo van binnen uit. Zoals ik het nu doe, zo zit ik in mijn kracht. Ik ben niet speciaal, iedereen heeft het in zich, als je doet waar je hart ligt, om iets moois te maken. Die kinderen die daar op Lesbos aankomen, die zijn speciaal. Zesjarige kinderen demonstreren daar met borden ‘wij hebben recht om te spelen!’ De eerste keer dat ik dat meemaakte ben ik apart gaan zitten huilen. Het is de volgende generatie, waar wij in Europa heel veel aan kunnen hebben. Maar dan moeten we het wel anders doen. Je gaat er veel aan hebben, maar als je niet oppast, gaat er juist heel veel kapot.

Als je altijd hebt gevochten, dan ken je niets anders dan vechten. Maar nu speel ik mijn eigen spel, ik doe het nu zoals ik het doe en daar komen mooie dingen uit. Het gaat zoals het gaat. Ik voel die mensen en zij voelen mij. Zij zijn ook mijn steun, als ik niets zou bereiken, dan zou ik zo vertrokken zijn. Maar als er maar een is, een kind, een man of vrouw, dan is het goed. Als je als hulpverlener iedereen wilt bereiken, dan ga je mensen als nummertjes zien. En zo willen mensen niet gezien worden.
Mijn geloof is heel belangrijk voor mij. Mijn innerlijke rust heb ik te danken aan Allah. Mijn geloof leert mij om kleine dingen te waarderen, om te geloven in het goede, te concentreren op het positieve, mensen te respecteren in alles, in geloof, in hoe ze zijn, in seksualiteit. In mijn gebed kom ik tot rust en dank ik voor deze geweldige ervaring. Ik heb er nooit bij stilgestaan dat ik een soennitisch moslim ben, maar ik weet nu dat er verschillende stromingen zijn. Ik denk dat ieder individu zijn geloof anders beleeft. Er is geen goed of slecht, geloof geeft jou kracht, hoop, troost, heel veel liefde en ik respecteer iedereen in hoe die gelooft. Maar je moet niet geloven in wat er van je verwacht wordt, door anderen, door de maatschappij. Hoe meer je jezelf en anderen in hokjes plaatst, hoe moeilijker het wordt.
We streven er allemaal naar om onszelf te kunnen zijn. We willen onze waardigheid behouden, waar we ook zijn op de wereld. En we willen met ons allen een mooie plek maken van deze wereld. Dat lukt soms niet, maar als ik die kinderen zie die demonstreren, dan zie ik dat ze opkomen voor hun rechten. En dat geeft hoop, veel hoop.’